EUDCA
Soevereiniteit en competitiviteit bepalen de digitale toekomst van Europa
De controle over de digitale infrastructuur waarop onze economie draait, is uitgegroeid tot een strategisch vraagstuk. Het raakt de kern van Europa’s vermogen om competitief te blijven, te innoveren en onafhankelijk te handelen in een snel veranderende geopolitieke context.
Voor Michael Winterson, Secretary General van de European Data Centre Association (EUDCA), is die evolutie overduidelijk: “Soevereiniteit — maar ook competitiviteit — behoort vandaag tot de belangrijkste thema’s in Europa. Het gaat over veiligheid, maar evengoed over economische slagkracht. Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.”
Over heel Europa herdenken beleidsmakers en bedrijven hoe digitale systemen gebouwd, beheerd en opgeschaald worden. De focus ligt niet langer alleen op versneld digitaliseren, maar ook op de vraag hoe dat kan gebeuren met voldoende controle, veerkracht, strategische autonomie en concurrentiekracht op lange termijn. Volgens Winterson ligt de kern van de uitdaging in de structuur van Europa zelf: Europa functioneert nog te veel als een verzameling nationale markten, eerder dan als één geïntegreerd digitaal ecosysteem.
Waarom is digitale soevereiniteit zo’n urgent thema geworden?
Michael Winterson:“Het verhaal is de voorbije jaren enorm veranderd. Rond 2019 draaide het vooral rond digitalisering en vergroening. Vandaag domineren competitiviteit en geopolitieke veiligheid het debat. Soevereiniteit zit precies op het kruispunt van die twee thema’s. Er groeit steeds meer bewustzijn rond de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal niet-Europese technologiebedrijven, vooral op het vlak van cloud- en platformdiensten. Die afhankelijkheid creëert kwetsbaarheid: technisch, economisch én politiek. Wat nieuw is, is dat dit geen nicheonderwerp meer is. Het staat vandaag centraal in Brussel en beïnvloedt een brede waaier aan beleidsinitiatieven.”
Hoe moeten we die afhankelijkheid begrijpen?
“Ze wordt vaak onderschat omdat de systemen uitstekend werken. Die platformen zijn efficiënt, schaalbaar en wijdverspreid. Net daarom zijn ze zo dominant geworden. Maar de bezorgdheid vandaag draait rond controle. Zodra kritieke infrastructuur en datastromen afhangen van externe jurisdicties, creëer je een onzekerheidsfactor die moeilijk te beheersen valt. Zeker in tijden van geopolitieke spanningen wordt dat relevant. Tegelijk mogen we dit niet uitsluitend negatief bekijken. Deze technologieën hebben enorme groei mogelijk gemaakt. De uitdaging is niet om ze volledig te vervangen, maar om het ecosysteem beter in evenwicht te brengen.”
Heeft Europa vooral een technologisch probleem?
“Niet echt. Europa beschikt over sterke competenties en succesvolle digitale bedrijven. Het echte probleem is structureel: Europa opereert nog altijd als 27 gefragmenteerde markten in plaats van één geïntegreerd digitaal ecosysteem. Die versnippering maakt het moeilijk voor Europese oplossingen om schaal te bereiken, investeringen aan te trekken en wereldwijd competitief te zijn.”
Laurens van Reijen, CEO van LCL, verwijst ook naar mindset als belangrijke hinderpaal. Volgt u daarin?
“Absoluut. Gedrag speelt een enorme rol. Organisaties grijpen automatisch terug naar wat vertrouwd aanvoelt, zeker wanneer verandering risico’s lijkt mee te brengen. Zoals ik vaak zeg: organisaties veranderen alleen wanneer iets goedkoper, eenvoudiger of verplicht wordt. Vandaag voldoen veel Europese of soevereine alternatieven nog niet aan die voorwaarden, waardoor adoptie trager verloopt.”

Welke rol moeten overheden hierin spelen?
“Overheden hebben een cruciale rol, maar niet in de eerste plaats via extra regelgeving. De krachtigste hefboom is zelf het goede voorbeeld geven. Overheidsinstellingen moeten soevereiniteitsprincipes eerst toepassen op hun eigen systemen. Zo creëren ze vraag naar Europese oplossingen, waardoor die kunnen groeien, verbeteren en competitiever worden. Overheden fungeren dus als katalysator. Via gerichte keuzes in procurement kunnen ze mee de markt creëren die ze willen zien ontstaan.”
Soevereiniteit wordt vaak als complex ervaren. Hoe maak je het concreter?
“Een van de grootste uitdagingen is dat soevereiniteit vaak als een zwart-witverhaal wordt bekeken: iets is soeverein of het is het niet. In werkelijkheid is het veel genuanceerder. Je moet kijken naar verschillende lagen: infrastructuur, hardware, software en data. Elk van die lagen kent een ander niveau van controle en risico. In sommige gevallen kun je een hoge mate van soevereiniteit bereiken terwijl je toch globale technologieën gebruikt, afhankelijk van hoe systemen zijn opgebouwd, beveiligd en beheerd. Daarom is een gelaagde en meer pragmatische aanpak essentieel.”
Dat betekent dus niet noodzakelijk dat niet-Europese technologie uitgesloten moet worden?
“Precies. Het gaat er niet om dat alles Europees moet zijn. Dat zou noch realistisch, noch efficiënt zijn. Het gaat erom te begrijpen waar de risico’s zitten en hoe je die beheert. Daarbij kijken we bijvoorbeeld naar concepten zoals ‘made in Europe’ versus ‘made with Europe’, waarbij je analyseert welke rol Europese componenten spelen binnen een bredere technologiestack. Zo krijg je een pragmatischer en schaalbaarder model.”
Wat zijn vandaag de grootste obstakels?
“Kostprijs en complexiteit blijven grote factoren. Soevereiniteit implementeren kan duur zijn. Vanuit bedrijven hoor je vooral: kost, kost, kost. Daarom is duidelijkheid zo belangrijk. Bedrijven hebben nood aan heldere richtlijnen over wat soevereiniteit concreet betekent en wat er precies van hen verwacht wordt.”
Hoe hangt dit samen met Europa’s competitiviteit?
“Die twee zijn sterk met elkaar verweven. Als Europese bedrijven geen toegang hebben tot competitieve, schaalbare en betrouwbare technologie, zullen ze achterop raken tegenover internationale concurrenten. Tegelijk riskeert Europa zonder soevereiniteit de controle over kritieke infrastructuur en datastromen te verliezen. Het is dus geen keuze tussen beide: het zijn twee uitdagingen die samen aangepakt moeten worden. Uiteindelijk gaat dit over het creëren van de juiste voorwaarden zodat Europese bedrijven kunnen innoveren, groeien en concurreren.”
Hoe ziet succes eruit voor Europa?
“Een echt geïntegreerde Europese technologiemarkt. Een markt waarin een bedrijf in België evenveel vertrouwen heeft in een oplossing uit Spanje, Zweden of Frankrijk als in een oplossing uit eigen land. Dat vraagt schaal, interoperabiliteit en vertrouwen. Maar ook een mentaliteitswijziging: weg van nationaal denken, richting Europees denken. We hebben vandaag al Europese bedrijven die wereldwijd succesvol zijn. De uitdaging bestaat erin er meer van te creëren én de juiste omstandigheden te scheppen waarin ze kunnen groeien.”